| 
OOSTENRIJKSE
JACHTPROEVEN
TEKST: JUR DECKERS, FOTO'S: M.
EN S. TERLOUW, JUR DECKERS
VEELZIJDIGHEID
De Weimaraner is weliswaar
een Staande Hond, maar in het werk voor het schot ligt niet zijn enige
taak. Het ras is gefokt als veelzijdige jachtgebruikshond, een jachthond
die inzetbaar moet zijn bij alle facetten van het jachthondenwerk.
Hij moet natuurlijk inzetbaar zijn bij het veldwerk en goed voor kunnen
staan. Hij moet echter ook als betrouwbare apporteur dienst kunnen
doen en daarbij niet alleen kleinwild apporteren, maar ook in staat
zijn om aangeschoten roofwild, zoals bijvoorbeeld een vos, binnen
te brengen. Een jager die een Weimaraner bezit en zich met de reewildjacht
bezighoudt, zou Been aparte zweethond meer nodig moeten hebben, want
ook zweetwerk (het opsporen van aangeschoten wild aan de hand van
het bloedspoor) is zeker een taak waarvoor de Weimaraner inzetbaar
behoord te zijn. Bij drijfjachten in de bossen worden vaak Spaniels
gebruikt om het wild vanuit de dichte dekking uit te stoten. Een goede
Weimaraner moet ook dat werk aan kunnen. Wij hebben dus te maken met
een veelzijdige jachtgebruikshond. Hij wordt weliswaar Weimarse Staande
Hond genoemd, maar die benaming doet hem tekort, want hij moet veel
meer aan kunnen. Hij moet naast dat voorstaan ook kunnen jagen en
apporteren. Om die reden wordt in Engeland de groep all round staande
jachthonden, waartoe de
Weimaraner (naast bijvoorbeeld de Viszla en de Duitse Staande Draadhaar)
wel aangeduid met de afkorting HPR. Dat zijn honden die jagen (Hunt),
voorstaan (Point) en apporteren (Retrieve).

SPECIALIST
Kijken wij naar het Nederlandse
systeem voor proeven en veldwedstrijden, clan zien wij dat daarbij
vooral uitgegaan wordt van specialisten. Ofschoon staande honden van
tijd tot tijd beslist niet onverdienstelijke resultaten neergezet
hebben bij apporteerwedstrijden ter drijfjacht, is dit type veldwedstrijd
toch eigenlijk bedoeld voor de specialisten op dit terrein bij uitstek;
de verschillende Retrieverrassen. Dat geldt ook voor de Nederlandse
zweetwedstrijden, waarbij Weimaraners ook best wel eens een kwalificatie
behaalden. Wij zien echter - geheel begrijpelijk - de kwalificatie
Uitmuntend meestal toch uitgereikt worden aan de specialisten op dat
terrein, de Teckel, de Hannoveraan, de Bayerische Gebirgsschweißhund
of een van de Brakkenrassen. En dit alles geldt natuurlijk evenzeer
voor de voor- en najaarsveldwedstrijden. Natuurlijk zijn er Weimaraners
te vinden die een goed zoekpatroon laten zien en prima voor staan;
helaas voldoen zij desondanks niet altijd aan "de wedstrijdnorm"
waarvan de meetlat behoorlijk hoog ligt. Wellicht dat dit een van
de redenen is, waarom veel Nederlanders in Duitsland en/of Oostenrijk
de proeven afleggen. Deze proeven gaan niet uit van specialisten,
maar van jachthonden die veelzijdig moeten zijn.

ALLEEN VOOR JAGERS
Maar er zijn meer verschillen. Ook voorjagers die zelf niet jagen
zijn in Nederland meer dan welkom op de proeven en wedstrijden, mits
zij natuurlijk over een goede wedstrijdhond beschikken. Bij onze Oosterburen
wordt echter van een ander principe uitgegaan; een goede jachtgebruikshond
moet zijn veelzijdigheid tonen bij alle onderdelen van het jachtbedrijf.
De praktijk staat voorop en aan de proeven wordt in beginsel alleen
deelgenomen door voorjagers die in het bezit zijn van een geldige
jachtakte. Het werk van de Continentale Staande Hond, waartoe de Weimaraner
behoort, is in het land van herkomst niet beperkt tot het zogeheten
veldwerk (flankerend een veld met hoge kophouding afzoeken om vervolgens
het wild vast te maken en op dat (veer)wild tot voorstaan te komen),
maar evenzeer op waterwerk, werk in het bos, (o.a. een zweetspoor
uitwerken, een vos apporteren), terwijl eveneens gedurende de gehele
proef de gehoorzaamheid van de hond en de wijze waarop voorjager en
hond een op elkaar ingespeelde combinatie vormen wordt beoordeeld.

SPORT VERSUS FOKKERIJ
Verschil is er ook in "wedstrijdvorm". Onze Nederlandse
veldwedstrijden komen tegemoet aan de behoefte van jachthondenbezitters
om hun tak van hondensport te bedrijven door deel te nemen aan (veld)wedstrijden.
En zoals bij de sport in het algemeen, geldt ook bij ons dat bij een
wedstrijd alleen, of dan toch in ieder geval vooral, de beste, de
nummer 1, de Kampioen telt. Daarom worden op onze veldwedstrijden
- net zoals bij de tentoonstellingen - de honden zowel gekwalificeerd
(met Uitmuntend, Zeer Goed of Goed, want Matig komen wij in de praktijk
niet tegen) als geplaatst (1 Uitmuntend CACT, 2 Uitmuntend Res. CACT,
3 Zeer Goed enz). Bij onze Oosterburen wordt van een ander uitgangspunt
uitgegaan, waarbij in de eerste plaats het met goed gevolg afleggen
van de proef als zodanig telt. Bij de proeven voor de jonge staande
hond - de VJP (Verbands-jugendprüfung) in Duitsland en de Anlageprüfung
in Oostenrijk worden weliswaar punten voor de verschillende vakken
toegekend, die opgeteld met per vak een bepaalde vermenigvuldigingsfactor
tot een eindtotaal leiden, maar is geen sprake van plaatsing en kwalificaties
zoals die bij onze veldwedstrijden gelden. Degene met het hoogste
aantal punten van de dag wordt weliswaar "Suchensieger"
genoemd, maar dat is geen officiële titel die in de stamboeken
wordt opgetekend. Hetzelfde geldt voor de HZP (Herbstzucht Prüfung).
Pas bij de VGP (Verbands-gebrauchsprüfung) of in Oostenrijk (Voll-gebrauchsprüfung)
wordt er naast het puntentotaal ook gewerkt met een 1e, 2e en 3e prijs.
Maar ook deze prijstoekenning heeft een andere betekenis dan bij ons.
Elke hond die voor bepaalde verplicht gestelde vakken minimaal het
daarvoor gestelde punten toegekend heeft gekregen komt in aanmerking
voor een eerste prijs. Er kunnen dus
meerdere eerste, tweede en derde prijzen zijn. Sterker nog, elke hond
die de VGP behaalt heeft in elk geval een derde prijs! Maar misschien
wel het grootste verschil betreft de insteek en het doel van de veldwedstrijden
in Nederland en de proeven in Duitsland en Oostenrijk.
Bij onze Oosterburen zijn de proeven zonder meer nog altijd een buitengewoon
essentieel onderdeel van de fokkerij. Voor de Weimaraner in Duitsland
geldt dat zowel de reu als de teef minimaal een HZP met goed gevolg
moeten hebben afgelegd wil men toestemming krijgen om te fokken. En
die toestemming is nodig, want zonder toestemming zal de rasvereniging
geen stamboom afgeven! Hierdoor is ook een ander verschil verklaard.
Het komt regelmatig op onze voor- en najaarsveldwedstrijden voor dat
een hond geen wild heeft gehad en zich om die reden niet kan kwalificeren.
Bij de HZP is zoiets ondenkbaar. Gezien het belang voor de fokkerij
is het essentieel dat elke hond in voldoende mate voor wild wordt
gebracht. Daarom zijn de groepen kleiner (maximaal vier honden). Daar
komt dan nog bij, cat het aantal keren dat met de staande hond aan
de Duitse proeven deelgenomen mag worden beperkt is. Twee maal een
VJP, twee maal een HZP en in principe slechts een maal een VGP. Alleen
als men deze VGP niet heeft behaald kan er nog een keer een herkansing
plaatsvinden. Hoe anders is dat bij onze veldwedstrijden. Voorjagers
die twee keer deelnemen aan een najaarsveldwedstrijd zullen de tweede
keer zo'n driekwart van de deelnemers herkennen van die eerste veldwedstrijd.
Daar is niets mis mee, maar het betekent wel dat onze veldwedstrijden
zich kenmerken door een beperkt aantal deelnemers, die vaak, heel
vaak aan veldwedstrijden deelnemen. Het mag voor zich spreken dat
ook al om die reden helaas de betekenis van onze veldwedstrijden voor
de fokkerij betrekkelijk gering is. Als - zoals bij onze Oosterburen
- voor de fokkerij van Weimaraners het bezit van een veldwerkkwalificatie
bij beide ouderdieren verplicht zou worden gesteld, dan zou het aantal
fokdieren - in elk geval bij de Weimaranerwel eens bijzonder klein
uit kunnen vallen. Zo klein, dat dit vanuit de populatiegenetica als
volstrekt onaanvaardbaar zou worden bestempeld.

UIT ELKAAR GEGROEID
Als wij kijken naar de manier waarop zo'n 100 jaar geleden de veldwedstrijden
plaatsvonden, dan blijkt dat ook in die tijd de snelle, ruime en systematische
zoekwijze van de staande hond centraal stond. De staande hond moest
in galop een veld afzoeken en over een goede neus en een groot uithoudingsvermogen
beschikken. De wil om wild te zoeken en vast te zetten moest worden
getoond. En natuurlijk moest er een goed punt worden gemaakt en moest
het geschoten of aangeschoten wild binnen worden gebracht. In die
tijd werd - net zoals in Duitsland en Oostenrijk ook nu nog - van
de voorjagers verwacht dat zij het wild zelf zouden schieten. Voor
het hazen hetzen werd een hond niet gediskwalificeerd; kwam hij binnen
redelijke tijd terug dan mocht hij onmiddellijk zijn loop afmaken.
Bij jonge honden was het hazen hetzen zelfs aanbevelingswaardig. Het
betekende immers dat de hond over jachtpassie beschikte. De veldwedstrijden
van toen stonden nog heel erg dicht bij de fokkerij en bij de jachtpraktijk.
De veldwedstrijden werden in de loop der jaren ook aangepast aan de
verschillende jachtsituaties in bos, water en veld. Om deze situaties
beter tot hun recht te laten komen, kreeg men voor de bosjacht het
verloren apporteren en werd het zweetspoor geïntroduceerd. Ook
ontstond het "buschieren", waarbij de hond in een bos met
veel ondergroei dicht bij de jager moest blijven om het wild op te
sporen en op te jagen. Voor het waterwerk had men het "stöbern"
in het riet, waarbij een gekortwiekte eend in het riet moest worden
gezocht, geschoten en geapporteerd, voorts het apport uit diep water,
waarvoor een dode eend in het water werd geworpen en het vrij verloren
zoeken. In deze wedstrijden zaten zodoende elementen die bij onze
hedendaagse Nederlandse veldwedstrijden grotendeels verloren zijn
gegaan, maar nog altijd wel zijn terug te vinden in de proeven bij
onze Oosterburen. Het is mede om die reden dat een (toenemend) aantal
Nederlanders deelneemt aan dit soort "veelzijdigheidsproeven"
in landen als Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië.

HET LAATSTE WEEKEND VAN SEPTEMBER
Traditioneel wordt in het laatste weekend van september door de Oostenrijkse
Weimaraner Vereniging een gecombineerde VGP en een Feld- und Wasserprüfung
georganiseerd. De proeven vinden doorgaans plaats in de ruime omgeving
van de stad Krems, aan de noordkant van de Donau zo'n uurtje rijden
van Wenen. De Vollgebrauchsprüfung komt grotendeels overeen met
de in Duitsland meer bekende Verbands-gebrauchsprüfung. Dat geldt
echter niet voor de Feld- und Wasserprüfung, die weliswaar bepaalde
elementen bevat van de Duitse Herbst-Zuchtprüfung (HZP) maar
daarvan op essentiële punten ook weer afwijkt. Zo is deelname
aan de HZP beperkt tot jonge honden, die in het voorafgaande jaar,
of de in de laatste drie maanden van het daaraan voorafgaande jaar
geboren zijn. In Oostenrijk is er geen limiet qua leeftijd, maar wel
een verschil tussen jonge honden (A groep tot twee jaar oud) en oudere
honden (B groep). De jonge honden mogen over de gehele proef een stuk
wild laten liggen en kunnen dan met een derde prijs de proef nog behalen.
Voor de honden in de B groep geldt dat men de zes apporten (twee keer
eend, twee keer fazant en twee keer haas) moet binnen brengen om de
proef te behalen. Ook bij het onderdeel veldwerk zijn er verschillen.
Wanneer in Duitsland de zoekwijze is beoordeeld en de hond een punt
op veerwild heeft gemaakt, kan dit onderdeel worden afgesloten, ook
als de hond niet voor haas is geweest. In Oostenrijk moet de hond
zowel voor veerwild als voor haarwild worden gebracht, niet alleen
om het voorstaan te beoordelen, maar evenzeer om de reactie van de
hond op het schot en het weg vluchtende wild te kunnen evalueren.
Verder dient er in Oostenrijk een verloren apport van zowel veerwild
als haarwild te worden uitgevoerd en worden de honden beoordeeld op
enkele gehoorzaamheidsvakken (aangelijnd en los volgen, twee minuten
houden van de aangewezen plaats, waarbij de voorjager na een minuut
twee keer zijn hagelgeweer moet afvuren). In Duitsland behoren deze
onderdelen niet tot het programma van de HZP. Tot slot is de HZP in
Duitsland een proef die in zijn geheel al dan niet behaald wordt;
in Oostenrijk kan een combinatie niet alleen de Feld- and Wasserprüfung
behalen, maar ook elk van de beide onderdelen los van elkaar.
Dit jaar was er een beperkte delegatie
vanuit Nederland naar Oostenrijk vertrokken. De reden daarvan was
dat een aantal combinaties enkele weken eerder deelnamen aan de proeven
en Zuchtschau van de jubilerende Tsjechische Weimaraner Vereniging.
Twee jonge Nederlandse Weimaraners kwamen uit bij de Feld- and Wasserprüfung
en een ervaren Nederlandse Weimaraner bij de VGP. De combinatie van
deze beide proeven, waarvan de VGP twee dagen in beslag neemt en de
Feld- and Wasserprüfung meestal op een dag wordt georganiseerd,
maakt het mogelijk voor de voorjagers van de jonge honden om de eerste
dag als toeschouwer aanwezig te zijn bij de VGP. De zojuist verschenen
omvangrijke tweede druk van het boek "De Weimaraner" uitgegeven
door de rasvereniging, bevat weliswaar een uitvoerige toelichting
op deze proeven, maar het zelf in de praktijk zien en meemaken heeft
toch een duidelijke meerwaarde.
De deelnemers aan de Feld- and Wasserprüfung
worden ingedeeld in groepen van (maximaal) vier honden, die gekeurd
worden door drie keurmeesters. Uiteraard wordt het gezelschap bij
het veldwerk gecompleteerd door een veldbegeleider, die ervoor zorgt
dat de honden volop kansen krijgen. Ofschoon dat van groep tot groep
- of liever van veld tot veld - verschilt is de wildstand in dit deel
van Oostenrijk in de regel zodanig, dat alle honden voldoende mogelijkheden
krijgen op zowel veerwild als haarwild. Ik was tweede in mijn groep
en de eerste hond maakte tijdens zijn eerste loop al twee punten op
fazant. In het laatste deel van het perceel bieten dat ik of mocht
maken vonden wij helaas geen wild meer. Direct al bij het starten
in ruigte aan de rand van het volgende veld werd op twee plaatsen
fazant gevonden, die door mijn jonge Weimaraner keurig vast gemaakt
werden en waarvoor het voile aantal punten voor het voorstaan werd
toegekend. Zoals gezegd zijn dan de punten voor het veerwild wel binnen,
maar er moet vervolgens haarwild gezocht worden. En daarvoor hebben
wij nog flink wat moeten [open. Uiteindelijk trok Rainy aan op een
haas die echter vertrok voor zij hem vast kon maken. En zoals ik al
verwachtte bracht Rainy hem heel ver weg. Onderdeel van de Feldprüfung
zijn ook de veer wild- en haarwildslepen alsook het verlopen apport
van veer- en haar wild. Bij een dergelijke sleep wordt een (vanzelfsprekend
dood) stuk wild aan een lijn over de grond gesleept. Het spoor dat
aldus ontstaat heeft zo'n 300 meter lengte. Opvallend was dat veel
honden met hoge kophouding enkele meters naast de sleep het spoor
uitwerkten, daarbij gebruik makend van de wind.
Voor het water werkgedeelte van de proef
werd dit jaar gebruik gemaakt van een fraaie, midden in een bos gelegen,
uitloper van de Donau. In Oostenrijk moeten de honden wel het zwemspoor
van de levende eend volgen, maar deze eend wordt in de regel niet
geschoten. De schotvastheid wordt beoordeeld bij de oefening apport
uit diep water, waarbij dan echter niet in de lucht maar op het water
wordt geschoten. Belangrijk is ook het onderdeel waarbij de hond het
riet of moet zoeken, in eerste aanleg zonder dat daarin een dode eend
is geworpen. Pas als de hond een groot deel van het riet systematisch
heeft afgezocht wordt er een eend in het riet gegooid en gaat deze
oefening daarmee als het ware naadloos over in een zogeheten "verloren
apport". Bij de proefonderdelen waarbij een stuk wild geapporteerd
moet worden, wordt apart van elkaar een cijfer gegeven voor het zoeken,
of de uitvoering van de sleep en het binnen brengen van het wild.
Vanzelfsprekend mag het wild niet nodeloos verpakt worden en moet
het door de hond zittend worden afgegeven.
Interessant zijn de vermenigvuldigingsfactoren.
Voor elk vak is een maximum van vier punten te behalen, maar omdat
bijvoorbeeld het voorstaan en de zoekwijze veel belangrijker worden
geacht dan het houden van de aangewezen plaats, wordt het resultaat
bij het ene vak met 4 vermenigvuldigd en het andere vak slechts met
de factor 1. Om de proef te behalen moet voor een aantal verplichte
vakken een minimumscore worden verkregen. Daarnaast geldt ook voor
het totaal aantal punten een ondergrens. Hiermee ontstaat een buitengewoon
genuanceerd beeld van de prestaties van de hond, waarbij aan de hand
van de cijferlijst heel goed kan worden nagegaan waar de sterke en
zwakke punten zitten. En dat laatste is niet alleen voor de fokkerij
interessant maar vormt voor de voorjagers een belangrijke aanwijzing
voor het volgend seizoen harder aan gewerkt zal moeten worden.
De drie Nederlanders die dit jaar deelnamen
aan de Oostenrijkse proeven deden dat bepaald niet onverdienstelijk.
De beide jonge honden (nestbroer en -zus, 18 maanden oud) gingen naar
huis met elk een tweede prijs Feld- and Wasserprüfung en de derde
Nederlander behaalde - met een zeer hoog aantal punten - een derde
prijs VGP.
Uit: de Honderwereld,
nummer 12 2001
|