| Een staande hond die niet voorstaat, hoe is dat mogelijk? Eeuwenlang zijn fokkers bezig geweest deze eigenschappen te ontwikkelen en te verfijnen, om steeds weer betere honden te fokken. De verfijning van de neus en het gebruik daarvan, het uithoudingsvermogen de apporteerwil, honden die in samenwerking met de baas wilde jagen. Dan de honden die voor meerderen jachtvormen gebruikt kunnen worden. Wat we in onze tijd all-rounders noemen. Het valt niet mee met de wetten van Mendel dit uit te beredeneren We zijn echter eerder klaar met een mooie hond. Welke eigenschappen moeten we selecteren uit de DNA-technologie om de ideale hond te fokken ? Als je fokker bent van een jachthondenras en je weet van jagen en de manier van werken van jachthonden niets en je fokt 5 generaties honden waarbij niet op die eigenschappen is geselecteerd, die nodig zijn om de hond bruikbaar te laten zijn in de jacht. Dan kan men eigelijk niet meer over een jachthond spreken. De fokker verkoopt de puppy's. Heeft de fokker geluk dan willen de eigenaren wat met de hond gaan doen, ze komen bij de plaatselijke kynologenvereniging terecht en leiden de hond op tot een zonnetje in huis. De fokker is trots omdat er toch maar weer een goede hond gefokt is. De eigenaar tevreden omdat hij een goede hond bij deze betrouwbare fokker gekocht heeft en ze leefde nog lang en gelukkig. Fokken is verbeteren van het ras wat men fokt, of minimaal in stand houden wat er is, in deze situatie is hier geen spraken van. Zonder dat de fokker zich hiervan bewust is fokt hij of zij pure degeneratie. Er zijn een groot aantal eigenschappen die de jachthond nodig heeft om een jachthond te zijn. Die bij dit soort fokkerij niet aan de orde komen, omdat de fokker deze niet kent! Fijnheid van de neus (verre neus), willen voorstaan , gebruik van de neus in samenhang met de snelheid waarmee de hond door het veld gaat, (jachtverstand), snelheid, uithoudingsvermogen, waterwil, gevoeligheid voor het schot, spoorwil, haarwildschuwheid, veerwildschuwheid, doorzettingsvermogen, apporteerwil, willen samen werken met de voorjager (dat is het baasje), hardheid in de mond wild beschadigen (hard in de bek), wild aaneten (aanvreten), wildbegraven (doodgraver), roofwild scherpte (bereid zijn dit te stellen of af te wurgen), de hond moet rustig zijn en niet piepen tijdens zijn werk, niet ongemotiveerd blaffen er moet voor dat blaffen dan een aanleiding zijn, vermogen om de voorjager te begrijpen nieuwsgierig en leergierig. Dan komt bij de Weimarse staande hond nog de verdedigingsdrang bij (bereid baas, huis en haard te verdedigingen). Wat het allemaal niet eenvoudiger maakt. Als jager, voorjager en africhter wil je een hond waarbij je op een normale eenvoudige manier de hond wat kunt leren. Geen hond die angstig is dat kost veel tijd en veel moeite en het succes met dit soort honden is mager. Geen hond die te veel domineert dat kost ook veel tijd en vooral energie en methodes die een leek niet aankan. We willen een prettige hond die nieuwsgierig is, wil samenwerken met zijn voorjager (roedel vorming de voorjager de kophond). Als je de hond zover krijgt dat hij in het veld jou aanwijzingen (niet bevelen) op grote afstand opvolgt dan kan je met de hond handelen zoals dat heet (Lezen en schrijven). De rest van de africhting gaat dan heel prettig en je ziet elke keer resultaat. We hebben het hier over geestelijk normale honden. Iedere hond is een individu en elk individu heeft een wat andere methode van leren nodig, je moet dus als africhter creatief zijn en niet je eigen vastbijten in methodes die zogenaamd altijd succes hebben. Raadpleeg wel ervaren dresseurs ze hebben veel verschillende honden afgericht en hebben talloze methodes toegepast. Zelf heb ik in de 30 jaar dat ik met jachthonden actief bezig geweest ben zo'n 2000 verschillende honden zien werken of pogingen zien doen tot werken.
Het werk wat we van Weimarse staande hond verwachten is: Het werk voor het schot. Het werk na het schot te land en te water. Het boswerk. Het manwerk.
Het werk voor het schot. De hond moet volhoudend met voldoende snelheid en met een hoge kophouding een veld afzoeken diagonaal dwars op de wind slagen maken op aanwijzing van de voorjager en wild wat hij tegen komt voorstaan. Het jachtverstand hebben en de wil om wild te willen voorstaan, te blokkeren en vast te maken en vast te houden. Voldoende rust hebben om te wachten dat zijn voorjager bij hem komt en het wild kan schieten, de beloning voor de hond is het apporteren van het wild (dat is dan het werk na het schot). Wat niet kan en mag is een overgepassioneertheid de hond die niet te houden is en kilometers ver alleen jaagt, wild uitloopt en erachteraan hetzt. Passie moet de hond zeker hebben de brutaliteit om het wild aan te vallen en het vast te maken. De hond die te langzaam is en geen veld meent komt niet voor wild en de hond die de neus aan de grond zet (de stofzuiger) komt nooit tot voorstaan omdat hij meer geïnteresseerd is op loopsporen van het wild dan verwaaiing (De geur van het wild door de wind gedragen). Het achtervolgen van haarwild kan opgelost worden met moderne apparatuur. Tekort aan neus kwaliteit kan op geen enkele manier gecompenseerd worden deze honden stoten keer op keer wild uit (flusen). Voorstaan is niets anders dan wat we bij alle katachtige zien, het wild besluipen en zich voorbereiden op de laatste sprong om het wild te bemachtigen. Onze staande honden zijn echter zulke treuzelaars geworden dat ze niet kunnen besluiten deze laatste sprong te doen, daar komt nog bij dat de hond een sociaal dier is en de katachtige niet, hij wacht tot de roedel er is.
Het werk na het schot. Het werk na het schot zijn leervakken ook een niet jachthond kan dat geleerd worden als hij africhtbaar is en dat heeft weer te maken met sortering van de genen. Het werk na het schot is apporteren op het zweetwerk na. We verwachten van de hond dat hij het geschoten en/of aanschoten wild ter hand stelt en niet beschadigd. Daarbij komen nog een aantal eigenschappen die we zeer op prijsstellen. Op de duivenjacht rustig in het hutje of achter het camouflagenet en als wild geschoten wordt, als een speer er van doorgaan maar wachten op het commando "apport" we schieten niet elke duif raak. Bij fretteren rust, wachten op het commando "apport" maar wel snel, aangeschoten konijnen lopen onder het hol in. Voor de voet op de patrijzen en/of fazanten, na het voorgestaan te hebben de geschoten patrijs of fazant apporteren. Op drijfjachten waar we op post zitten met de hond. De hond moet keurig bij ons blijven niet muzikaal worden (piepen en/of janken). Goed postgedrag uit zich door dat de hond opmerkzaam is en toch rustig. Het verloren apport, de jager weet niet waar het wild gebleven is maar zag dat het dodelijk geraakt was. De hond moet uitgestuurd worden en zelfstandig met doorzetting vermogen en de wil tot zoeken dit wild vinden en ter hand stellen. Het apport van aangeschoten klein wild wat ver door kan gaan, de hond moet het onderscheid kennen tussen gezond wild en aangeschoten wild. Een runner (aangeschoten wild) verwachten we spoorzekerheid en doorzettingsvermogen van de hond het wild moet op het spoor of verwaaiing van het spoor levend geapporteerd worden. De hond mag het niet doden maar moet het levend ter hand stellen anders wordt het wildbraad beschadigd en dan is de hond hart in de bek. Het apport moet prefect uitgevoerd worden, door voor de voorjager te gaan zitten en met opgeheven hoofd het wild te presenteren, zodat de voorjager op humane wijzen het wild kan doden. Apport uit water, de eendenjacht vanuit de boot of hut of aanzit op de avondtrek de hond zal rustig moeten zijn de voorjager niet hinderen en alleen op commando uitgestuurd worden. Is de eend aangeschoten dan zal de hond het zwemspoor moeten aannemen en achter de eend aan moeten stoberen. Duikt de eend dan wordt het voor de hond nog lastiger want waar komt de eend weer boven, de voorjager moet dit aangeven. Dit vergt ijzersterke volharding en doorzetten en de wil tot hebben moet zeer goed ontwikkeld zijn. (de apporteerwil)
Werk voor en na het schot. Het uitwerken van een zweetspoor, is het spoor wat een aangeschoten stuk grofwild (Ree Hert zwijn) achter laat bloed stressgeur uit de klieren van de hoeven. De hond wordt aan de lange zweetlijn voorgejaagd om de wonddruppels te vinden en te volgen (het zweet) de voorjager moet de hond kunnen lezen, dit heeft veel ervaring nodig van zowel de hond als de voorjager. De eigenschappen die we hier nodig hebben zijn neusgebruik en dan op een andere manier dan bij het veldwerk, concentratievermogen, spoorwil en verleiding van verse sporen van niet beschoten wild kunnen onderscheiden en dat ook willen doen. Komt de hond bij het stuk en dit leeft nog en het is niet mogelijk dat de voorjager het doodt dan zal de hond het moeten wurgen. Daarvoor is nodig dat de hond scherpte heeft om dit op te kunnen brengen. We hebben het nog niet gehad over het Totverbellen. Totverbellen persoonlijk vind ik er een groot nadeel aan want de hond moet van de zweetriem af en het laatste gedeelte alleen uitwerken in de praktijk komt het vaak voor dat het aangeschoten wild toch nog verder vlucht en als de hond dan niet die scherpte heeft om het af te wurgen, komt het wild niet binnen. Onze oosterburen hebben echter dit hoog in het vaandel staan. Totverbellen is een erfelijke eigenschap, de hond moet willen blaffen en het wild stellen (op de plek houden. Brinkselverwijzen is de hond een kunstje leren. De hond moet als hij bij het wild komt de aan zijn halsband zittende reep rubber of ander materiaal in de mond nemen en terug keren naar zijn voorjager, die dan ziet dat de hond weet waar het stuk ligt en zijn voorjager daar heen brengen. Buscheren is in het bos onder het geweer flankeren en wild voorstaan zoals dat bij het veldwerk moet, er zijn nog een paar kunstjes bij, Als de voorjager stilstaat moet de hond ook stil gaan staan of liggen down gaan. Stoberen in het bos dichte dekkingen afzoeken op wild. Voorstaan heeft dan geen zin want de voorjager ziet de hond niet, de voorstaande hond moet dan wild uitstoten of op een spoor nadat hij wildspoor geroken heeft luid geven blaffen. We zeggen dan deze hond is waldluid. Het is een tegenstrijdigheid de enen keer willen we de hond voor zien staan en de andere keer moet hij als een brak het wild uitjagen en luid achtervolgen. U ziet er zijn nogal wat eigenschappen waaraan en jachthond moet voldoen sommige eigenschappen komen steeds weer terug en hebben te maken met toch verschillend werk wat we van de hond verlangen. De neus moet kwaliteit hebben, maar we vragen de neus steeds anders te gebruiken. Bij het veldwerk moet de hond de lichaamsgeur van het wild die door de wind zijn richting uitkomen met hoge kophouding interpreten en dan dusdanig in schatten dat r de grootste geur verwaaiing er is en tot voorstaan komen, wat weer een andere eigenschap is. Het spoor van een loper (aangeschoten klein wild) zien we dat deze honden soms ver naast het spoor lopen, ze lopen op de verwaaiing van het spoor met hoge kop en niet als een stofzuiger met lage kop. Keurmeesters die uit een andere hondenhoek komen dan van de staande honden, die wel zo een spoor uitwerken beoordelen dit wel eens fout. Honden die op verwaaiing ingesteld zijn werken onder de wind een spoor uit. Het neus gebruik op het zweetspoor is weer anders de kop moet laag, toch zien we dat de staande hond zelfs dan gebruik maakt van de verwaaiing de kop gaat wisselend hoog en dan weer laag. Om al deze eigenschappen te meten zijn er proeven en wedstrijden Nederland, België, Frankrijk en de landen van Zuid-Europa kennen geen proeven maar alleen wedstrijden waarbij de honden onderling worden vergeleken en de beste wint de wedstrijd. Duitsland, Oostenrijk en de Oost-Europese landen kunnen geen wedstrijden maar proeven de hond behaald de proef of niet. Welk systeem ook maar toegepast wordt, de kwaliteit van de honden wordt bepaald door het keuren van de keurmeesters. Dan moet ik bekennen dat ik nooit met de wetten van Mendel en de DNA-techniek in mij gedachten een hond beoordeelde. Altijd vroeg ik naar prestaties van de vader- en de moederhond en wat zijn daar de kennelnamen van? Dat was voldoende. Je wist dat kennelnaam "A" niet presteerde op veldwerkgebied maar uitblonk op de KNJV-proeven en op zweet weleens wat gedaan had. Kennel "B" had zeer goede veldwerkhonden maar waren niet van zulke natuurlijke apporteurs en met de vos was er met deze honden heel moeilijk wat te beginnen. Kennel "C" had goede honden op elk gebied veldwerk, zweetwerk en apporteren was niet onverdienstelijk, grote prestaties zoals CACT was door deze honden nog nooit behaald het was altijd een goed of een zeer goed of een kale uitmuntend. De honden van kennel "A' kwamen over het algemeen bij jagers en mensen die de tweede hond namen terecht en niet zo belangstelling voor veldwerk hadden. De fokker zelf kwam ook niet op veldwedstrijden maar liep alle KNJV-proeven af en behaalde dikke A-diplom's. De honden van kennel "B", de fokker liep met succes vele veldwedstrijden en had daardoor zijn klantenkring bij de voorjagers op veldwedstrijden. Kennel "C" had meer de mensen die naar de Duitse proeven gingen of toch wat meer aandacht aan de training van en hond wilde besteden, maar niet op de top uit waren. Dan konden we nog de kennelnamen "X", "y", "Z", dat waren de gelegenheids fokkers die zo maar een nestje op de wereld zetten meestal werd er een top reu gebruikt uit de exterieur kant, in het gunstige geval een werkhond en dat kwam alleen maar omdat de gelegenheids fokker ooit een B-diploma behaald had met zijn teef. Uit welke kennel de hond ook komt de vakbekwame dresseur zal een goede hond houden en een minder goede hond tot een bepaald niveau opleiden en dan de hond verkopen. De tophond behoudt hij en fok er mee. De begaafde of minder begaafde hond, hoe hij zich manifesteert ligt aan het milieu waar de hond terechtkomt. Hierbij gaat de stelling van Alsemgeest over begaafde minder begaafde en lui een minder begaafde kinderen of een goede, luie of begaafde leraar enz, volkomen op. Een uitspraak uit het jagerslatijn is: "Slechte honden zijn er niet alleen maar slechte bazen". Er zijn wel degelijk hele slechte honden, zelfs honden met een geestelijke afwijking, uit erfelijkheid of door milieu. Waarop worden op proeven en wedstrijden honden gemeten. Als we allereerst de KNJV-jachthondenproeven bekijken dan zien we dat daar een klein aantal erfelijke eigenschappen gemeten worden. De hond moet haar- en veerwild (waterwild) apporteren gehoorzaamheid tonen, rustig op schot en zijn africhtbaarheid tonen, geen water vrees hebben. In mindere maten doorzettingsvermogen en zelfstandigheid. Zelfstandigheid wordt bij een bepaalt onderdeel van de KNJV-proeven namelijk het dirigeren totaal niet op prijs gesteld en wordt de hond ontnomen. In zeer kleine maten de spoorzekerheid en rust op schot. De proeven worden door de keurmeesters op een schoolmeesterachtige manier gekeurd. Wat weten we van een hond met zo'n diploma, niet waterschuw, geen haar- of veerwildschuwheid, niet schotschuw en africhtbaar. Maar wat we niet weten is hoe de hond op aangeschoten wild reageert of pas geschoten wild. In ieder geval weten we wat van de hond en dat is beter dan niets. De apporteerveldwedstrijd ter drijfjacht daar wordt op leven wild geschoten en de hond moet warm wild apporteren en zelfs een verloren apport en een runner komen voor. We hebben dan te maken met doorzettingsvermogen. Wild kan aangeschoten worden, dan moet hond het spoor van een runner uitwerken dat kan een hoge kwalificatie opleveren. Apport uit dichte dekking een verloren apport, waar niemand weet waar het wild precies ligt, kan ook een hoge kwalificatie bewerkstellen. Het verschil tussen de KNJV-jachthondenproef en de apporteerveldwedstrijd is dat er niet met koud wild gewerkt wordt maar met levend wild wat geschoten wordt. Dat zegt veel meer over de apporteer kwaliteiten dan het koud wildproeven. Een hond kan geneigd zijn bij het apport van warm wild dit eerder hard te behandelen of aan te eten omdat er verse wonden zijn (aanvreten). Daarbij komt op de apporteerwedstrijden worden veel hogere eisen gesteld aan rust op post, bij de KNJV-proeven is het alleen het inhouden van de hond op het schot wat niet te vergelijken valt met stady zijn op post en zoals de Engelse zeggen de "Will to Please". De erfelijke eigenschappen die we meten op een apporteerwedstrijd komen beter tot zijn recht dan bij een KNJV-proeven die alleen uit kunstmatige proeven bestaan met dood wild. We leren de hond een aantal kunstjes. De apporteerwedstrijd geeft een beter beeld van de hond over en beperkt aantal erfelijke eigenschappen.
De veldwedstrijden voor- en najaar voor staande honden. In Nederland en alle landen die zuidelijk liggen van ons land is er in de beoordeling van de honden nauwelijks of geen verschil. Een groot aantal erfelijke eigenschappen komt aan de orde. Het willen bemachtigen van wild waardoor de hond door passie gedreven een veld in volle galop van links naar rechts tegen de wind in afzoekt, met hoge kophouding. Maar toch binding met zijn voorjager blijft houden en de aanwijzingen van zijn voorjager opvolgt. Dit kan alleen een hond zijn die lichamelijk in goede harmonie is en over een hele goede conditie beschikt. Uithoudingsvermogen de wil om te jagen en het voor zijn baas willen doen. Het inschatten van verwaaiing van wild, nog een slag maken of het vooruit benaderen en het wild vastmaken, het arrêt. De neus constant gebruiken de neusvleugel bij iedere ademtocht wijd gespreid, bij het voorstaan het kauwen het proeven van het wild. Dan de rust de ontlading omkijken of de voorjager al in aantocht is. Dan laadt de spanning weer op, de hond mag op commando voor de voorjager uit, het wild eruit drukken. De voorjager (Op wedstrijden wordt er door een officieel geweer geschoten.) Schoudert het geweer, er klink en schot en de hond zit maar als een snaar gespannen, kijk en markeert de valplaats van het wild. Op commando van de voorjager wordt de hond uitgestuurd om het wild te apporteren. Soms is het een verloren apport, soms zelfs en runner (loper). De hond vindt het wild en brengt het naar de voorjager en presenteert het zittend met opgeheven hoofd. Wat zo in een paar eenvoudige zinnen beschreven wordt, wat voor een complexe hoeveelheid van eigenschappen moet dat niet zijn. Hoe complex is deze sortering in het DNA? De wetten van Mendel geven uitkomst. Welke erfelijke eigenschappen spelen hier samen een rol? Ten eerste de neus kwaliteit en het gebruik daarvan (Veel weimaraners lopen met lage of half hoge kophouding wat er op wijst dat de hond niet ingesteld is op het waarnemen van verwaaiing van wild.) Hoge kophouding is een instelling van de hond lage kophouding ook, of gebrek aan neus kwaliteit. Lage kophouding, de hond is op sporen ingesteld dit is een duidelijke geur die ligt er, op de vegetatie er kleeft wat aan de bodem en struiken. Hoge kophouding de hond gebruikt zijn neus boven de vegetatie uit en is ingesteld op de geur van het wild wat door de wind gedragen zijn richting uitkomt. Dan het beslissen wanneer en hoe ver is het wild van hem vandaan (jachtverstand), of een aanval te doen op het wild, om het tot staat te krijgen het te blokkeren en zodoende zich druk. De hond ruikt dat de verwaaiing constant blijft en komt tot voorstaan, want een stap dichter bij het wild zal vluchten en dan heeft de hond geflust. Dan door blijven staan tot de roedelleider komt en zelfs omkijken waar hij blijft! En complex van eigenschappen is hier voor nodig om dit tot een succes te brengen. De condities in het veld zijn steeds anders, de hond moet daar op in kunnen spelen. Veel ervaring van zowel voorjager als hond zijn nodig, door de erfelijke eigenschappen moet het wel doorgegeven zijn. Andere eigenschappen die nodig zijn, werklust, lichamelijk een goede conditie, geestelijk stabiel, rijpheid in karakter, het willen werken voor de baas (willen samen werken). Heeft de hond deze eigenschappen dan kan je lezen en schrijven met hem en wat je hem ook leert het gaat snel en succesvol en zonder al te veel moeite. Dat zijn de honden die we graag hebben willen. Maar ja zoals elk ideaalbeeld valt het in het leven niet altijd mee. De kromme van Gaus die in de kwaliteitscontrole gebruikt wordt en in de metaalindustrie een standaard is. Alle producten die buiten de kromme vallen zijn afkeur en alles wat binnen de kromme valt en er uitsteekt moet herbewerkt worden, wat in het centrum staat benadert het ideaal, alles wat boven en onder het centrum staat voldoet aan de toleranties maar staat verder van het ideaal. Maatvoering in de metaalbewerking, is werken met toleranties, nul bestaat niet, wel het benaderen van nul en dat is het ideaal. Iedere hond heeft zo zijn slechte eigenschappen, die ervaren africhters kunnen verdoezelen, beginnende voorjagers kunnen daarmee niet overweg en hebben een slechte hond.
De Duitse proeven In Duitsland, Oostenrijk en de in de Oost-Europese landen worden jachthondenproeven gehouden die een vakdiploma voor de bruikbare jachthond inhouden. De proeven zijn leeftijd gebonden en hebben een opbouwende moeilijkheidsgraad. Alleen de manier van keuren is totaal anders. De keurmeesters hebben de instelling dat iedere hond moet kunnen slagen. Het moet wel heel veel van het reglement afwijken wil men de proeven niet behalen. Met jeugdhond legt men eerst de Verbands Jugenprufung af in het voorjaar wat inhoud: veldwerk bestaande uit. Zoeken (flankeren), neus, uithoudingsvermogen, samenwerking met de voorjager, voorstaan en het uitwerken van het spoor van en niet gezien haas. Is de hond op dit spoor van een niet gezien haas luid (blaft) dan wordt dit hoog gewaardeerd en is de hond spoorluid. Want onze buren zeggen dat een hond die een spoor ruikt en tegelijk kan blaffen moet een hele goede neus hebben en het zijn in het algemeen prettig africhtbare honden. In hetzelfde jaar is het de bedoeling met de hond de herftsproef te doen waarvan de hond verlangt wordt ook weer het veldwerk met daarbij een haar- en veerwildsleep en ook waterwerk. De slepen zullen de lezer nu duidelijk zijn. (Ik wil hier niet in detail treden wat de feitelijke inhoud van de proeven zijn even zo min ben ik op de reglementen van de veldwedstrijden en KNJV-proeven ingegaan.) Het waterwerk verschilt met wat wij kennen op veldwedstrijden en proeven. Er wordt voor iedere hond een gewiekte eend uitgezet waarvan de hond gedurende enige tijd het zwemspoor moet volgen, zijn de keurmeester daar tevreden mee dan wordt de eend geschoten en moet de hond deze apporteren en brengen. Het volgende apport is uit het riet en kan het beste vergeleken worden als een verloren apport uit water. De Meisterprüfung is de VGP (Verbandsgebrauchprüfung) deze duurt 2 dagen en bestaat uit veldwerk, boswerk, waterwerk en een aantal gehoorzaamheids vakken. Het veldwerk en waterwerk worden dezelfde vakken beoordeeld als op de Hzp. Bij het boswerk komen daar een zweetspoor bij en het stoberen en buscheren en apport van een vos op sleep en over hindernis de gehoorzaamheid bestaat uit down liggen met een schoten, los volgen door bos, aangelijnd volgen en op postzitten tijdens een drijfjacht de gehoorzaamheid wordt verder bij alle andere proeven beoordeeld. Bij deze proeven worden dezelfde eigenschappen bij de hond gekeurd als op veldwedstrijden alleen zijn de eisen die de keurmeesters stellen veel lager. In Vjp wordt algauw even stilstaan als een jeugdpunt beoordeelt wat niet terecht is. Dit is geen voorstaan. De manier van flankeren is slordig en onregelmatig in Nederland zou dat onvoldoende zoekwijze betekenen in de jeugdklas. Haalt men met zijn hond op de VGP een eerste plaats, dan kan men zeggen dat is een goede all-round hond die in Nederland een goed kan lopen. Heeft men een tweede plaats dan weet men dat er aan de hond wat mankeert. Heeft een hond echter met een derde plaats dan weet je dat er nog verdomd veel aan de hond mankeert. Ten slotte enig frappante voorbeelden van gedrag van jachthonden. Op een mooie zondagmorgen kwamen de cursisten bijeen en bij een alleen staan bosje liep Saartje ons kleinste draadhaar teefje rond ineens ging het pootje omhoog en de hond stond, maar ze gromde daarbij? Het baasje had dit ook nooit meegemaakt wel dat de hond voorstond maar niet grommend. Niemand had er een verklaring voor, zeker toen na onderzoek bleek dat er in het bosje niets was. Een week later kwam de verklaring, een van de cursisten die op de bewuste dag niet aanwezig was had de dag daarvoor een vos verstopt voor zijn hond in het bosje. Weimaraner langhaar Ayla zum Laupwald gaat een kat achterna, de kat klimt in een boom en gaat op een tak zitten, de hond gaat onder de boom zitten en kijkt de kat strak aan. Dit heeft zo'n drie kwartier geduurd, toen viel de kat uit de boom. Asper de Duitse staande korthaar heeft tot tweemaal toe, terug komend van een verloren apport van konijn, met een konijn in de vang voorgestaan op patrijs. Arco uit Stabilis Fortuna weimaraner korthaar was zonder dat ik de hond ooit eerder gezien had, bij de eerste ontmoeting doodsbang van mij, we hadden geen verklaring waarom de hond bang was, terwijl hij mij niet kende? Ook hier kwam de verklaring later. Ik had even ervoor een bezoek aan de dierenarts gebracht, de vorige eigenaar had met de hond nogal wat bezoekjes bij een dierenarts afgelegd en ik had de geur van de behandelkamer bij mij, vandaar dat de hond zo bang van mij was. Bron: Leo van Gogh
|