veldwerk met de staande hond

Veldwerk is een samen spel tussen voorjager en hond, met als doel wild op te sporen. De hond moet de aanwijzingen van de voorjager opvolgen, echter niet op een slaafse onderdanige manier,  vreugde en de passie die de hond bij dit werk moet hebben mag niet onderdrukt zijn door de voorjager. Zodat de loop van de hond plichtmatig wordt. De aanwijzingen van de voorjager in samenwerking met de natuurlijke en/of erfelijke eigenschappen van de hond moeten ertoe leiden, dat de hond wild vindt en het voorstaat. De voorjager moet met zijn hond kunnen handelen. Daarvoor moet het contact met de hond goed zijn, wat weer samen gaat met goede gehoorzaamheid. Mankeert het aan het een of ander  of beide dan zal de hond op zichzelf gaan jagen en uit de hand raken. Het in de hand  houden van de hond kan alleen  bereikt  worden met een intensieve en training. Daarbij zal de hond een dosis dressuur moeten onder gaan, ook op grote afstanden moet het appel er op staan. Bevelen worden voornamelijk met handgebaar en fluit gemaakt. Het belangrijkste onderdeel van het werk voor het schot, wat staande hond moet doen is voorstaan! Door vererving moet de hond dat in zich hebben. Hieruit blijkt dat de staande hond die niet voorstaat niet geschikt is voor de fokkerij. Als africhter moet u deze erfelijke eigenschappen ontwikkelen en in goede banen leiden, zodanig dat zij bruikbaar voor de jacht worden. Bij het zoeken naar wild tijdens het veldwerk moet de hond zo efficiënt mogelijk het veld afzoeken, niet alleen voor ons uit, maar veel meer naar links en rechts ruim veld nemen,  Dus revieren of flankeren, zorg ervoor altijd  met goede wind een veld af te zoeken, tegen de wind in. Vooral met een onervaren jonge hond, kan het gebeuren als hij met verkeerde wind jaagt, (De ervaren hond gaat wind halen.), dat hij met een lage kophouding gaat werken, omdat de hond zo geen verwaaiing van wild kan krijgen en daardoor op loopsporen gaat werken. Een hond die een loopspoor volgt zal niet meer voorstaan. Bij de Weimaraner hebben we veel stammen die deze lage kophouding hebben. De hond is ook geschikt voor zweetwerk een half hoge kophouding, is in sommige gevallen voor een Weimaraner aanvaardbaar. Doch het spel met de wind zullen deze honden nooit op een grootste manier kunnen presenteren en meester worden. Tijden de training moet u de hond goed observeren en u afvragen waarom hij b.v. naar een bepaalde hoek van het veld trekt of een bevel negeert. Dikwijls zal blijken dat de hond wat in de neus heeft een warme plek of een spoor. U moet leren zien aan de hond wat voor gedrag hij toont, is het wild wat hij in de neus heeft en zo ja is het wild ver weg, loopt het, is het veer- of haarwild etc. Inzicht in het gedrag van u hond is noodzakelijk, leren zien elke situatie zich voor doet is belangrijk om te  voorkomen dat er fouten gemaakt worden, merkt ze bijtijd op. Uit het boven staande zal duidelijk zijn dat de africhting in dit verband, liever de training voor het veldwerk op een ander vlak ligt, dan de training voor het werk na het schot. Het is bij het veldwerk veel meer een kwestie van overwicht op de hond hebben. Straffen kan alleen indirect en met de stem, omdat de afstand tussen baas en hond te groot is. Daarom wordt er nog weleens de fout begaan om voortdurend te bevelen met een groot stemgeluid. Het te veel bevelen  werkt niet goed op de zelfstandigheid en komt het werken niet ten goede. De hond moet zo getraind worden dat hij op handgebaar bevelen opvolgt dat is dan die samenwerking tussen baas en hond, de fluit kan gebruikt worden om hem te attenderen als we iets willen corrigeren. De hond die voor het eerst voor wild komt, moet rustig gemaakt worden. Hem nooit de kans geven om wild te grijpen, levend wild moet gerespecteerd worden. Leer situaties te overzien, als de hond op ganzenvoet aantrekt en het haas dreigt te achtervolgen, grijp dan tijdig in voordat hij gedreven door achtervolgingdrift en onbeheerste jachtpassie wild gaat hetze. Dit werk is voor een brak of een windhond en niet voor een staande hond. Bij jonge onervaren honden zien we weer en heel ander beeld, als zij wild in dekking ruiken zien we bij sommige van deze honden en kunnen dat ook horen de neus vleugels trillen. Ze proberen op hun achterbenen te staan om zelfs het wild te zien te krijgen. Een andere eigenaardigheid die alleen bij ervaren honden voorkomt is, dat zij tijdens het voorstaan kauwen, proeven zij de geur van het wild of is het een emotionele uitdrukking. De hond die snel is en waarvan die snelheid in overeenstemming is met de kwaliteit van zijn neus, zal het best wild vastmaken, een hond die langzaam is met een goede neus zal in dezelfde situatie niet tot deze prestatie komen. 

Het flankeren of revieren

De hond moet zijn slagen ruim en in het kader waar hij thuis hoort  voldoende diepte nemen. Dat wil zeggen, dat de hond links en rechts in rechte lijn op de windrichting met een bepaalde snelheid en binnen het ramen van zijn zoekwijzen (Continentaal 1. of continentaal 2.) Veld moet nemen Deze slagen moeten voorwaarts gericht zijn, zodat de hond als hij van de linkerkant van het veld komt aan de rechterkant zijn haak moet maken, met de kop in de windrichting, zodat hij in een andere gang komt. Om de hond dit te leren is lang niet zo moeilijk als het op het eerste gezicht lijkt. Iedere hond heeft de eigenschap om zijn baas te volgen en hem in te halen. Daarvan maken we gebruik. Als u met de hond aan het wandelen bent, zal hij meestal vooruit lopen, keert u om en gaat u de andere kant op, dan zal hij wederom voor u uit gaan lopen. Om het flankeren te leren. We passen we dit als volgt toe. We laten de hond aan de rand van het veld zitten. Altijd zo, dat we tegen de wind in gaan werken. Zelf lopen we naar het midden van het veld. Zijn we daar aangekomen dan versnellen we onze pas en fluiten de hond. Nu blijven door lopen en als de hond ons passeert wijzen we hem door en lopen met de hond verder. Het is belangrijk dat we door blijven lopen met dezelfde snelheid, omdat     anders de hond ook zijn pas in houdt. Hij merkt dat we stoppen of langzamer gaan lopen, zodoende word de slag niet ruim genoeg doorgezet. Pas als de hond ons ruim genoeg gepasseerd is, lopen we de andere kant uit, iets vooruit stekend. We komen in een volgende gang terecht, is de hond aan het einde van de slag gekomen dan fluiten we hem en vervolgen het spelletje van voren af aan. Laat de regelmaat te wensen over dan zetten we hem opnieuw aan. Van uit zittende positie. De eerste keren als we dit oefenen zal de regelmaat na twee slagen over zijn, stop en begin opnieuw. Hoe vermoeiend dit werk ook is voor de voorjager, laat geen slordigheden toe.

Fouten bij heeft flankeren

De hond jaagt te ruim
dus de slagen worden te ver naar links en rechts doorgezet. Als de hond ver genoeg is corrigeren we hem door hem down te blazen. Let er op als u de hond down blaast, dat hij niet op wild aantrekt. Een hond die dit gedrag vertoond heeft makkelijker te verbeteren dan de hond die geen veld wil nemen, deze zijn veel moeilijker sneller en verder te krijgen.

De hond jaagt niet ruim genoeg,
zijn slagen worden niet ver genoeg naar links en rechts door gezet, zoekt het veld niet ruim genoeg af. We kunnen de hond animeren door zelf harder te gaan lopen maar we hebben onze beperkingen, steeds door wijzen tot de zijde van het veld. Voor de peuteraar valt het niet mee om daar een vlot werkende hond van de maken. Druk uit oefenen op de hond kan de loop niet ten goede komen de hond moet plezier in dit werk hebben.

De hond loopt te veel tegen de wind in.
Hij steekt, we verhelpen dit door de slag die wij lopen achterwaarts te maken. Gelijktijdig fluiten we de hond en wijzen in de goede richting. Ook hier geld weer overtuigt u dat de hond geen wild in de neus heeft. Hele ervaren honden tonen dit nogal eens ze ruiken geen wild en willen opschieten.

De hond maakt zijn haken te groot
Dus de bocht naar voren wordt  te groot gemaakt, ze slaan dan een gang over die belopen had moeten worden en kunnen zo wild voorbij lopen wat een ernstige fout is. Dit corrigeren we op dezelfde manier als de vorige fout. We grijpen alleen nu al in voordat hij aan de slag begonnen is, dus tijdens het maken van de haak.

De hond maakt zijn slagen te kort
Dit is de tegenovergestelde fout van de vorige de haken worden te kort genomen of te veel doorgezet. De hond komt op een gang uit die hij al belopen heeft (Stomme hond ruikt zijn eigen spoor niet.). Nu moeten we hem met fluitsignaal en arm gebaar in rechte lijn voor ons langs zien te loodsen.

De hond maakt zijn haken verkeerd om
Dit is een fout die de meeste jonge onervaren honden maken, wanneer ze meer ervaring krijgen zal dit uit zichzelf opgelost worden. Bij de meer ervaren hond, kan de fout bij de voorjager liggen, als zijn positie t.o.v. de hond naar achteren is kan het fluitsignaal bij de hond in het verkeerde oor komen en de hond een verkeerde haak slaat. Het regelen van de slagen kan alleen gebeuren als u actief met de hond gaat flankeren en fouten bijtijds opmerkt en ingrijpt.

Het voorstaan.

Het voorstaan is een erfelijke eigenschap die niet aan te leren is. Het is niet mogelijk de hond dit te leren, wel kan hond die neigingen toont voor te staan stabieler gemaakt worden in het voorstaan. En een hond die voorstaat kan geleerd worden voor te gaan liggen, dit is echter niet meer gebruikelijk en zal zeker niet hoog gewaardeerd worden (Sommige spaniëls liggen voor.). Het voorstaan openbaart zich bij de ene hond of ras eerder dan bij de andere hond. We kunnen het alleen maar simuleren, de jonge hond vroeg voor wild brengen en het in juiste banen leiden.  Dikwijls is het voorstaan bij puppy's al aanwezig. Ze staan voor op alle vreemde nieuwe dingen, waar over ze twijfelen maar niet schrikken.  Voorstaan op het gezicht heeft geen enkele waarde, voorstaan op neus gebruik wel, dit heeft voor de jacht waarde. Voorstaan moet een hond op verwaaiing van wild. Als hij daarbij een onbeweeglijke houding bij aanneemt dat noemen we  voorstaat. Iets dergelijks als verwaaiing kunnen we waarnemen, als een paard vers van stal komt ons passeert en de wind onze richting uit is, de stallucht prikkelt onze neus en met de ogen gesloten kunnen we het paard volgen tot op een punt waarbij we de reuk niet meer waarnemen omdat de afstand te groot wordt. De hond met een reukvermogen wat miljoenen malen groter moet zijn dan van de mens en veel meer ingesteld op dit zintuig, moet dit spel met de wind leren. Wat alleen met natuurlijk wild kan op den duur. Wat speelt er zicht af voor dat een hond tot voorstaan komt? De hond zal revierende op een gegeven moment lichte verwaaiing waarnemen en zal zijn snelheid verminderen om beter de juiste richting waaruit de verwaaiing te bepalen. Hij moet dan een aanval doen op het wild en charge, zodat het wild de aanval merkt en zich drukt klein maakt en op zijn schutkleur vertrouwd om niet opgemerkt te worden, de hond krijgt de volle verwaaiing en komt tot het arrêt het voorstaan,  de hond heeft nu het wild vastgemaakt en komt zodoende omdat het wild op dezelfde plaats blijft tot voorstaan. Benadert de hond het wild te onstuimig,  dan zal het wild zich niet drukken maar op de wieken gaan  weg vliegen en de hond heeft dan geflust geen punt gemaakt het wild uitgestoten. Wanneer het wild zich niet druk maar weg blijft lopen, dan moet de hond met en zekere snelheid en lef de behoedzaamheid benaderen om het te blokkeren vast te maken lukt dit niet dan zeggen de hond kwam er niet klaar mee gebrek aan ervaring of niet de wil hebben het wild te bezitten. Lopers blokkeren is een van de moeilijkste taken van hond en voorjager en heeft heel wat ervaring en kennis van het wild gedrag nodig een van de moeilijkste onderdelen van het veldwerk. Wat alleen door veel doen en aan wedstrijden deelnemen geleerd kan worden. Er is een grens tussen wild en hond waarbij het wild springt of zich drukt, deze twee grenzen zijn heel moeilijk exact te bepalen en staan niet vast en zijn van situatie tot situatie verschillend. Voorstaan is niets ander dan wat vele roofdieren vertonen voorbereiding tot de sprong om de prooi te grijpen. Ren dus nooit op de hond toe als hij voorstaat, uit rivaliteit zal hij dan het wild er eerder uitjagen, nog voor dat u bij hem gekomen bent. Vertoont hij deze fout, dan moet hij aan de lange lijn  en die werkt ontzettend slecht bij het veldwerk. Leg hen down en jaag samen met de hond het wild eruit. Dit voorkomt ook dat hij wild gaat hetze achtervolgen wat uitgejaagd is. Laat de hond niet op warme plaatsen waar wild gesprongen is snuffelen, hij moet door hebben dat hij daar niet moet zijn maar op de plaatsen waar het wel in het veld zit. Veel ervaren honden moeten tijdens het voorstaan eerst uit hogere sferen naar de werkelijkheid terug gebracht worden, alleen het reukvermogen werkt nog, horen of zien ze niets meer. Als de staart nog een kleine trilling vertoont zeggen we dat deze hond nog niet met grote overtuiging voorstaat en nog niet steady genoeg is. De mooiste en meest spectaculaire manier van voorstaan is wel deze waarbij de hond zich in volle ren omgooit en voorstaat. Hiervoor is een snelle hond nodig, komt hij aan snelheid en reukvermogen te kort, dan zal hij deze manier van voorstaan nooit kunnen tonen. Het hele lange aantrekken wat in sommige situaties kan ontstaan, moeten we afbreken op den duur gaat de neus aan de grond en wordt er een loopspoor gevolgd en een hond die een spoor volgt staat niet voor. Vooral fazanten hanen zijn bekende doorlopers van de voorjagers. De hond krijgt ze niet vast, komt bij warme plaatsen en staat vals voor wat hem kwalijk genomen wordt. Veel beter is het om de hond terug te nemen, aanlijnen en aan de andere zijde van het veld de hond opnieuw in te zetten en op deze manier kan hij het blokkeren. Dit is ook weer zo'n onderdeel van het veldwerk waar alleen de ervaring het kan leren, door zowel door de hond en de voorjager. De hond moet bij het veldwerk iets tastbaars hebben wild vinden en het voor kunnen staan. De combinatie voorstaat, schot, wild zien vallen, apport zijn voor het begrip vorming van het grootste belang voor de hond. We schieten alleen wild wat voor gestaan heeft, de beloning is het mogen apporteren. Stoot hij wild uit of overloopt hij wild dan houden we het schot erin en is er geen apport en tonen duidelijk aan de hond dat we van deze gang van zaken niet gediend zijn. Zo dragen we bij aan de vorming van het zo geheten jachtverstand van de hond en jagen hem zo in. Met de jonge hond gaan we voor de hond jagen en niet voor het jagen. Het is een taak van de rasverenigingen om veldproeven te houden met normen die voor het eigen ras gelden, zoals er ook een standaard is voor het exterieur zo moet er ook een standaard komen voor het gebruik van de hond. De fieldtrailer is niet geschikt voor alle jachtvelden en jagers. In Nederland waar de jachtvelden steeds kleiner worden en de jacht steeds beperkter, zal er voor de zeer ruim jagende snelle honden geen werk meer zijn. In een klein veld kan nu eenmaal niet met een pointer of setter gejaagd worden. Voor het werk voor schot geld de hond moet er plezier in hebben veel honden lopen te plichtmatig vroeg dirigeren op de verkeerde manier, kan de hond voor veldwerk ongeschikt maken. Dit circusnummer heeft niets met staande honden werk te maken en kan nog beoefend worden als de hond voor veldwerk met pensioen is. Ook mag het veldwerk niet zo vrij worden dat dit uitdraait op stüßeren of brakkeren. Alles met inzicht en gevoel voor verhoudingen, wat met ervaring geleerd wordt. Het werken met kooiwild (stalwild) om de hond tot voorstaan te krijgen werkt heel beperkt meestal staat een hond die nog nooit wild geroken heeft er even op voor maar dan hebben we ook gehad. Bij uitzetten van wild moet u heel nauwkeurig te werk gaan, voetspoor vermijden kooien of zakken waar het wild in zat ver uit de buurt en dan wil het soms met een niet ervaren hond lukken.

De hazengehoorzaamheid.

Elke passie volle hond zal als hij de kans krijgt vroeg of laat lampe (een haas) achtervolgen. Dit is zeker geen ramp. We moeten het haze hetze niet aanmoedigen, maar ook zeker niet bij een jonge hond op zo'n manier willen afleren, dat dit zijn plezier in het veldwerk zou schaden. De ene hond wordt uit zich zelf hazegehoorzaam, omdat hij inziet dat het voor hen geen haalbare kaart is om het haas in te halen en te grijpen. Bij de andere hond wordt de gehoorzaamheid en het contact met de voorjager zo goed  dat het geen enkel probleem geeft om ze van achter het haas down te blazen. Juist de andere categorie geeft problemen. Vroeger toen de algemene stelling werd verkondigd, dat voor de negende maand met de hond geen africhting bedreven mocht worden paste men de keiharde methode van het strafschot toe om de hond hazerein te maken. Ook was men een tijd van mening geweest, dat het goed voor een jonge hond was om achter het haas aan te  gaan, voor de ontwikkeling van de passie en de fysieke ontwikkeling van de hond. Later werd hij dan weer hazerein gemaakt, een zeer inconsequente methode. Weer andere voeden de hond geheel hazenrein op. Als de hond hazevoet opnam werd hij al gestraft. Later kwam men met deze honden op jacht in moeilijkheden, omdat ze een aangeschoten haas (runner) ook niet binnen brachten. Tegenwoordig houden we afhankelijk van de hond en gulden middelweg aan en zetten de jonge hond wel op hazevoet. Omdat hazevoet zeer vluchtig is (snel verwaaid) en de hond zijn neus goed moet gebruiken om het spoor vast te houden, vertelt het iets over de kwaliteit van de neus. Een nadeel is de lage kophouding en het sporen lopen op jonge leeftijd terwijl we de kop hoog willen hebben op de verwaaiing. Geeft de hond tijdens het uitwerken van het spoor ook luid (blaft de hond) dan zeggen deze hond is spoorluid deze honden moeten een zeer goede neus hebben, omdat zij blaffen en gelijktijdig een spoor kunnen uitwerken, dus een goede reukzin moet hebben. Het geblaf duidt op passie. Deze honden zijn ook meestal prettig in de africhting. Om een hond het hazenhetze  af te leren zijn tal van methodes ontwikkeld. De hond aan een lange lijn voorjagen, een ketting of plank voor de benen een speciaal tuig waarbij de hond over kop  gaat. Al deze methodes hebben het nadeel dat de hond geen veld meer neemt. Omdat hij in zijn bewegingen geremd is. Gaat de hond achter een haas aan en fluiten helpt niet meer, geef dan geen fluitconcerten weg.  We fluiten de hond alleen maar doof voor onze bevelen, het werkt in de hand dat hij ook andere opdrachten van ons gaat negeren. Wacht tot hij terug komt en leg hem down op de plaats waar hij het haas opgestoten heeft. Natuurlijk houden we daarbij de toespraak van "foei haas". Helpt dat niet in een keer bindt hem dan ter plekke vast m.b.v. aanlegpennen en laat hem alleen verdwijnt u uit zicht van de hond verdwijnt, kom na enkele uren terug luid tierend van "foei haas". Dit middel werk altijd en zeker voor het begrip vorming van "foei haas". Verder kan stalwild helpen een groot ras konijn en de hond aan de lange lijn, alleen domme honden trappen daarin, de slimme zijn braaf en op dat moment hazengehoorzaam. De elektronische apparatuur waarbij de hond op grote afstand een elektrische schok kan worden toegediend werkt heel goed mist op de juiste manier gebruik met de dummy halsband. We kunnen alles bedenken strafschot met patronen die gevild zijn met rijst de hazenfiets etc.

Bijzondere vormen van voorjagen.

Seconderen komt op elke jacht voor waar meerdere honden gebruikt worden. De honden revieren gelijktijdig en op gelijke lijn elk hun deel van het veld af. Staat er een voor dan moet de andere hond mee voor gaan staan (seconderen). In geen geval mogen ze elkaar wild eruit lopen of elkaar op een of andere wijze hinderen. Er zijn honden die dat beslist niet kunnen, denk maar aan dominante reuen die gaan vechten.Wanneer een veldwedstrijd twee openklasse heeft en in beide klasse vinden keurmeester dat een hond in aanmerking komt voor het cac of cacit dan zal het eind beslissing met seconderen bepaald worden. Dan kennen we nog het begrip buscheren, dat is revieren in bos heel kleinschalig onder het geweer en de hond mag niet uit het oog van de voorjager.

Bron: Leo van Gogh